Klachten en registratie
In 2005 ontvingen de antidiscriminatiebureaus in Nederland in totaal 4.443 klachten over discriminatie. Slechts 3,6 procent van deze klachten (158 klachten) had betrekking op discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. In 2004 waren dat 149 klachten. Bij klachten over onderscheid op grond van seksuele gerichtheid gaat het veelal om incidenten in de openbare ruimte en in de woonomgeving, zoals uitschelden, mishandeling, en pestgedrag door omwonenden (Coenders et al., 2006).
Afgezien van de klachtenregistratie van de antidiscriminatiebureaus vindt er nauwelijks registratie plaats van discriminatoir gedrag jegens mensen met een homoseksuele gerichtheid. De politie registreert niet op systematische wijze of delicten een discriminatoir aspect hebben. Dat geldt voor discriminatie op alle gronden, dus ook voor discriminatie op grond van seksuele gerichtheid. Voorts wordt weinig aangifte gedaan van incidenten met een homofobe achtergrond. Uit een onderzoekt onder homoseksuelen blijkt dat negen procent van de ondervraagden bereid is aangifte te doen. Alleen wanneer er sprake is van mishandeling en geweld doet een kleine meerderheid (61 %) aangifte (De Boom en Van San, 2006).
Geweld
Over geweld tegen personen met een homoseksuele gerichtheid zijn niet veel harde cijfers. Meeste inzicht naar de omvang van geweld tegen homoseksuelen bieden ervaringsonderzoeken onder homoseksuelen. Het meest uitgebreide is dat van De Boom en Van San (2006). In hun onderzoek vroegen zij 776 homoseksuelen naar gevoelens van onveiligheid en naar feitelijke ervaringen met geweld. Uit het onderzoek komt naar voren dat het grootste gedeelte van de respondenten zich nooit of zelden onveilig voelt, maar een aanzienlijk deel voelt zich soms (17%) of zelfs vaak (2%) onveilig. Van de ondervraagden is 55 procent wel eens uitgelachen of uitgescholden wegens hun homoseksualiteit; 17 procent is wel eens gepest of getreiterd; 12 procent is ooit bedreigd met lichamelijk geweld en ruim 3 procent is ooit mishandeld. Bij de meeste incidenten is meer dan één dader betrokken. In driekwart van de gevallen betreft het mannen; vaak jongere mannen. Bijna de helft van de incidenten wordt gepleegd door een dader met een autochtoon Nederlands uiterlijk (De Boom en Van San, 2006).
Maatschappelijke acceptatie
Uit attitudeonderzoek blijkt dat Nederland een van de meest tolerante landen is als het gaat om de maatschappelijke acceptatie van homoseksualiteit (SCP, 2006). Slechts vijf procent van de bevolking wijst homoseksualiteit in zijn geheel af. Daarnaast zijn er veel mensen die homoseksualiteit niet in zijn geheel afwijzen, maar ook geen voorstander zijn van de gelijkberechtiging tussen homoseksuelen en heteroseksuelen. Zo is ruim 20 procent van de Nederlandse bevolking erop tegen dat homoseksuelen met elkaar kunnen trouwen. Opzichtige homoseksualiteit wordt door veel mensen niet gewaardeerd.
Er zijn verschillen tussen maatschappelijke groeperingen. Zo komt een negatieve houding tegenover homoseksualiteit vaker voor onder mannen, ouderen en lager opgeleiden. Een negatieve houding komt het meest voor onder mensen voor wie religie een belangrijke rol speelt in hun leven (SCP, 2006).
Arbeidsmarkt en onderwijs
In de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden van 2006 geeft circa 2,8 procent van de ondervraagde werknemers aan dat discriminatie op grond van seksuele gerichtheid regelmatig op hun werkplek voorkwam. 6,4 procent geeft aan dat het soms voorkomt (Van de Bossche et al, 2007).
Homoseksualiteit mag dan door een groot deel van de Nederlandse bevolking worden geaccepteerd, in het onderwijs liggen de zaken wat ingewikkelder. Uit onderzoek onder scholieren in Noord-Brabant komt naar voren dat tweederde van de scholieren zelf niet zou uitkomen voor hun geaardheid als ze homoseksuele gevoelens zouden hebben (Outway, 2005). In een ander onderzoek vindt 66 procent van de ondervraagde jongeren het niet vreemd wanneer iemand homoseksueel is; 17 procent van de jongeren vindt het wel vreemd (Rebel, 2006). Een overgrote meerderheid (88%) van de scholieren in dit onderzoek is van mening dat school een veilige plek moet zijn voor homoseksuele leerlingen en docenten.
Literatuur
Boom, J. De en M. Van San (2006). Geweld tegen homoseksuelen. Rotterdam : RISBO
Onderzoek gebaseerd op een enquête onder 776 homoseksuele mannen en vrouwen.
Bossche, S.N. J. Van Den, Hupkens, C.L.H., Ree, S.J.M. de en Smulders, P.G.W. (2007). Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2006. Methodologie en globale resultaten. Hoofddorp: TNO Kwaliteit van Leven
Enquête onder ruim 23.000 werknemers.
Coenders, M., Silversmith, J., Boog, I. en Dinsbach, W. (2006). Kerncijfers 2005.
Jaaroverzicht discriminatieklachten bij Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten. Amsterdam: Landelijke Vereniging van Anti Discriminatie Bureaus en Meldpunten
Outway (2005). Jongeren en homoseksualiteit: Onderzoeksrapport. Eindhoven: Stichting Outway
Onderzoek gebaseerd op een enquête onder 3.709 leerlingen op 15 scholen voor het voorgezet onderwijs in Noord-Brabant.
Rebel, S. (2006). Seksualiteit en tolerantie. Homo-emancipatie op school. Utrecht: Nationale Jeugdraad
Onderzoek gebaseerd op een enquête onder 529 leerlingen op 10 scholen voor het voorgezet onderwijs in heel Nederland.
SCP (2006). Gewoon doen. Acceptatie van homoseksualiteit in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)
Gebaseerd op diverse opinieonderzoeken.
Bron: Art. 1