contact       sitemap       CSV-portaal

Nederlanders boven de 16 jaar steeds positiever over homo’s

2011 | Het jongste SCP-rapport over de acceptatie van homoseksualiteit in Nederland geeft geen nieuwe cijfers over de homoacceptatie van kinderen en jongeren tot 16 jaar. Nederlanders van 16 jaar en ouder kijken in 2011 positiever naar homo’s dan 5 jaar eerder.

2011: tussen twee rapporten in
Het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) volgt op verzoek van het kabinet de ontwikkelingen in de acceptatie van homoseksualiteit. De laatste rapportage was uit de zomer van 2010: Steeds gewoner, nooit gewoon. Acceptatie van homoseksualiteit in Nederland. De volgende brede rapportage verschijnt in 2012. Het rapport Acceptatie van homoseksualiteit in Nederland 2011 is een tussentijdse beknopte publicatie die zich beperkt tot de houding van de bevolking, zoals die blijkt uit algemene bevolkingsenquêtes.

Algemene conclusie
De algemene conclusie is dat Nederland koploper is in de wereld wat betreft acceptatie van homoseksualiteit – en dat dit steeds beter gaat. In 2010 stond 10% van de Nederlandse bevolking negatief tegenover homoseksualiteit; terwijl dat in 2006 nog 15% was. Dat wil niet zeggen dat iedereen alles maar leuk vindt. In 2010 zei 41% van de bevolking twee zoenende mannen aanstootgevend te vinden; 28% zei dat over vrouwen en 13% over een zoenend heteropaar.

Geen nieuwe cijfers over jeugd
De voor dit onderzoek bekeken bevolkingsenquêtes beginnen bij de leeftijdsgroep 16-24 jaar. De resultaten van deze groep wijken niet wezenlijk af van die van oudere leeftijdsgroepen. Gegevens over jongere scholieren kwamen van ggd-onderzoeken, die echter te verschillend bleken te zijn om er landelijke trends uit af te leiden.
Landelijk onderzoek onder scholieren uit 2009 (dat al in het rapport van 2010 werd beschreven) wees uit dat meisjes minder homonegatief waren dan jongens en leerlingen van het voortgezet onderwijs minder dan die in het basisonderwijs. De bevindingen wezen verder uit dat autochtone scholieren minder homonegatief waren dan de niet-westerse migranten en leerlingen in de hogere onderwijsniveaus minder dan die in de lagere.

Onveilig schoolklimaat
In bovenstaand onderzoek van 2009 werd aan leerlingen op het voortgezet onderwijs de vraag voorgelegd of een jongen of meisje het op school eerlijk zou kunnen vertellen als hij of zij homoseksueel is. Drie op de tien leerlingen dachten dat homoseksuele leerlingen niet open konden zijn over hun seksuele voorkeur en nog eens drie op de tien wist niet of dat
zou kunnen. De groep die dacht  dat homoseksuele jongeren op school tegen iedereen zouden kunnen zeggen homo of lesbo te zijn, was erg klein (5%).

Les van een homo
De houding van niet-westerse migranten ten opzichte van homoseksualiteit is in 2004/2005 voor het laatst goed onderzocht. In dat onderzoek stond de vraag of mensen het een probleem vonden als hun kind les zou krijgen van een homoseksuele leraar of lerares. De meerderheid in alle groepen zei dat dat niet zo is. Turkse en Marokkaanse Nederlanders zeiden destijds het vaakst (27% en 21%) daar moeite mee te hebben (tegen 2% van de autochtone stedelingen).

Sociaal wenselijke antwoorden?
De schrijvers van het rapport geven in de conclusies aan dat zij het een belangrijk bezwaar vinden dat de gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op ‘zeggedrag’. Mensen geven aan de hand van stellingen aan wat zij vinden. Dat kan en zal vaak waarheidsgetrouw zijn, maar het valt niet uit te sluiten dat er ook sociaal wenselijke antwoorden worden gegeven. Bovendien is wat mensen vinden (of zeggen te vinden) nog iets anders dan hoe zij zich gedragen wanneer zij te maken krijgen met homoseksuele mannen en vrouwen.