Artikel 5 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) kent in het tweede lid, onder c een uitzonderingsgrond voor bijzondere scholen die te splitsen is in twee uitzonderingen, één over onderscheid op grond van godsdienst en levensovertuiging en één over de andere gronden.
Uitzonderingen
- Instellingen van bijzonder onderwijs mogen voor de vervulling van een functie eisen stellen die kunnen leiden tot onderscheid (direct of indirect) op grond van godsdienst of levensovertuiging, mits die eisen, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van de grondslag van de instelling.
- Voor wat betreft alle andere discriminatiegronden is het ook voor bijzondere onderwijsinstellingen niet toegestaan direct onderscheid te maken. Wat onder omstandigheden wel toegelaten kan zijn, is dat indirect onderscheid wordt gemaakt door het stellen van functie-eisen die, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag, onder de strikte voorwaarde dat deze eisen niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.