In Nederland heeft de Rijksinspectie van Onderwijs in 2001 een boekje gepubliceerd met richtlijnen voor dergelijk schoolbeleid. Volgens dit boekje stellen zij vragen over:
- in hoeverre heeft de schoolleiding zicht op de problematiek?
- hebben zij doelen gesteld om de situatie te verbeteren?
- doen zij aan (homo-)educatie?
- heeft de school aandacht voor goede omgangsvormen (rond homoseksualiteit)?
- doen zij aan homospecifieke leerlingenzorg?
Analyse
Om te kunnen uitleggen wat de school daar aan kan doen, leggen we eerst kort uit hoe homodiscriminatie werkt.
Homodiscriminatie is geen fenomeen dat op zichzelf staat. Het is een onderdeel van de algemene beeldvorming over hoe de samenleving en vooral over hoe relaties en seksualiteit in elkaar horen te zitten. Dit hele stelsel van overtuigingen en meningen noemen we ook wel ‘de norm van heteroseksualiteit’ of ‘heteronormativiteit’. Die norm op zich veroorzaakt echter nog niet discriminatie. Het zou immers kunnen zijn dat heteroseksualiteit weliswaar de norm is, maar dat men ruimte laat voor andersdenkenden. In de praktijk is dat helaas niet zo. Hoe meer men afwijkt van de norm, hoe meer de maatschappij het veroordeelt.
Het proces verloopt dan als volgt.
Als mensen te maken krijgen met iets dat afwijkt van de norm, reageren ze vaak met angst en afweer. Dat is een emotie. Emotie is een vluchtige reactie. Het komt op en ebt weer weg. Als we alleen met positieve emoties te maken zouden hebben, was het probleem minder ernstig dan het is.
Negatieve emoties zetten zich echter vaak vast in rigide meningen en patronen, waarop mensen uiteindelijk hun gedrag baseren. Negatieve emoties kunnen dus leiden tot negatieve attitudes, die vervolgens kunnen leiden tot allerlei vormen van negatief gedrag zoals een gebrek aan sociale steun, sociale afstand, discriminatie en geweld.
Een algemene overeenkomst in dit soort gedrag is dat de afwerende personen afstand nemen tot de veroordeelde groep. Daardoor nemen zij hen minder waar. Zij vormen hun beeld van deze groep op basis van de meest opvallende of meest afwijkende voorbeelden. Er ontstaat een stereotypering. Als men voornamelijk de negatieve stereotypering waarneemt, ervaart men dat als een flinke afwijking van de norm, waarop men vaak emotioneel negatief reageert.
Zo ontstaat een negatieve spiraal. Voor een effectieve homo-emancipatie is het belangrijk om deze spiraal te doorbreken.
- Maatregelen
Dit betekent dat de school homodiscriminatie kan aanpakken op vier niveaus.
De beeldvorming kunnen we proberen te veranderen door voorlichting, door interactieve training en door het ontwikkelen van een visie op hoe we met diversiteit willen omgaan.
- Emoties, die vluchtig en voorbijgaand zijn, kunnen we alleen op het moment dat ze voorkomen, aanpakken. Denk hierbij aan onmiddellijke correctie in de dagelijkse omgang. Op scholen komt dat neer op een verbetering van het pedagogisch handelen. Om dat te kunnen doen heeft de school een pedagogische visie nodig over hoe het met diversiteit, pesten en discipline zal omgaan.
- De vooroordelen en negatieve attitudes moeten we aanpakken door vorming van scholieren en van het personeel. ‘Vorming’ gaat een stapje verder dan voorlichting. Voorlichting is informatief, maar vorming is een interactieve dialoog over waarden en normen. Vorming moet een doorgaand proces zijn. Docenten moeten na een eenmalige training ook denken aan de omzetting naar de werkpraktijk, bijvoorbeeld door geregelde intervisie.
- Tot slot komen we bij het feitelijke discriminerende gedrag. De discriminerende partijen moeten respect aanleren en gediscrimineerde partijen moeten weerbaarheid leren. Het geheel moet worden gevat in een kader van goede omgangsvormen op school en steun van de schoolleiding, door het formuleren van beleid en beleidsuitvoering.
De algemene conclusie is dat er een breed pakket van maatregelen moet komen, waarbij voorlichting, vorming en correctie in de dagelijkse omgang met elkaar, worden gecombineerd. Daarom is het belangrijk dat de school een visie formuleert. Losse maatregelen zullen op zich weinig effect sorteren. In de praktijk blijkt het goed te werken om nauw aan te sluiten bij al bestaande aanzetten voor beleid rond veiligheid, omgangsvormen, respect en diversiteit. Het is wel goed om daarbij te bedenken wat homospecifieke aspecten zouden kunnen zijn, anders wordt het ‘meenemen van homoseksualiteit’ in een breed omgangsvormenbeleid al snel een loze frase. Een goede controle daarop is of u de gestelde vragen van de inspectie zinvol kunt beantwoorden.